de officiele site van en over
CLINGE DOORENBOS

  HOME          INTRODUCTIE DE JOURNALIST   DE CABARETIER   CLINGE EN DE FILM   
CLINGE VERTELT UITGAVENLIJST MUZIEKOMSLAGEN ZE ZIJN NOG TE KOOP EEN WARM HART
TWEE VERZAMELAARS ADVERTENTIE IN ONZE BOEKENKAST CABARETTEKSTEN BELANGRIJKE DATA
     

CLINGE

                   vertelt......

 

  voor een overzicht van zijn uitgaven klik hier

      Clinge Doorenbos  was  niet  alleen  de  schrijver van
      de leuke verhaaltjes op rijm  waarvan  velen  ouderen 
      er nog de nodigen kennen, hij was ook de maker van
      vele verhalen voor volwassenen en kinderen.
 

 

 ZINGEND DOOR HET LEVEN

 

       In  de bundel "Zingend door het leven" uitgegeven door 
      de Amsterdamse uitgeverij A.J.G. Strengholt , beschreef 
      Clinge  zijn  leven. Vanaf  een klein joch van 5 jaar die in 
      1889 met zijn speelgoedtrommeltje de Bussumse harmo-
      nie begeleide, tot  het tweede jaar van de tweede wereld-
      oorlog. 


Een leven vol muziek samen met zijn vrouw en begeleid-   
ster  Wobbina de Blécourt.  Naast  de  nodige  anekdotes 
bevatte deze bundel ook een flink aantal van zijn gedich-
ten, versjes zoals hij ze zelf noemde. De bundel was ver-
lucht met tekeningen van de tekenaar Bernard van Vlijmen
                                       

Hieronder een verhaal uit deze bundel waarin Clinge
zijn tijd in militaire dienst beschrijft:

.....Weet u wat ik begon te doen? Ik liet de menschen
in de zaal op briefjes 'n onderwerp zetten. Daar fanta-
seerde ik dan 'n liedje op. Allicht waren er bij de vele
onderwerpen  'n  paar,  die  zich daar  toe leenden. Je
zoekt, je rijmt en 't is of Onze Lieve Heer je op ’t laatst
’n eigen  woord stuurt. En,  kijk,  zóó  is  ons repertoire
uitgebreid. Zóó treed en trad ik dan vaak op in Nutsde-
partementen. Maar de mobilisatie deed de deur dicht
of - beter gezegd - de mobilisatie deed de deur wagen-
wijd  open  voor  m’n  liedjes  zingerij.  Ik  was  eerst 
gewoon korporaal bij de landweer en ik lag in Maarssen.
De avonden waren vervelend en lang en ik dacht : Ik zal
’n  pretje  maken  en  ze wat voorzingen. Ik zong voor 'n
klein kringetje, laat me zeggen voor vijftig jongens. Maar
dan gingen  er  drie  weg  of  twee  of een en ieder kwam
weer  met  'n  paar  mannetjes  terug,  die ze uit de kroeg
hadden gehaald.

En in mijn soldatentijd heb ik de waterlinie en de forten
langs gereisd. Ik was niet zoetelijk : De grootste standjes
gaf ik ze soms, maar in den vorm van 'n grapje. 't Heele
land trokken wij door, m'n vrouw en ik. Nu was er voor
andere menschen 'n heele soesa noodig vóór ze op reis
gaan konden  in  dien  tijd  en  toen  we eens in Tilburg
waren, begreep generaal Weber niet hoe wij zoo makkelijk
reizen konden. Weet u hoe dat kwam? Mijn kapitein vroeg
doodeenvoudig niets aan. Dat was nog is 'n kerel met ini-
tiatief, zooals wij er weinig hebben.

Al heel gauw werd mijn liedjes zingen dienst. Generaal
Kleynhens vroeg of ik naar Den Haag wilde komen, in de
Ontspanningsdienst. En  toen  heb  ik  wel  400  avonden
door 't heele land gegeven en ik kan gerust zeggen dat ik
tot de allerslechtst betaalde artisten behoorde: Ik kreeg 30
cts. per dag. In negorijen zong ik en daar kwamen dan
ook  wel  notabelen.  En  dat heeft dan ook weer de stoot
gegeven voor ons verder werk. Wij werden gevraagd uit
liefdadigheid op te treden voor dit en voor dat. We doen
dat graag, want mijn eigenlijk vak is het liedjes zingen niet.
Ik ben particulier secretaris van dr. Janssen. En die is een
bekend philanthroop. En zoo is dat secretariaat al weer
de schakel voor mijne liefhebberij. Zóó doen wij wat voor
de volksontwikkeling, treden graag en bij voorkeur op voor
"Ons Huis", voor ''de Speeltuinen" en zoo meer. O, d'r zit
zoo'n macht, zoo'n opvoedende kracht in. Mijn hoofdprincipe
is: 'n Liedje mag zijn zoo 't is, maar nooit scabreus. Als je
moeder, je meisje of je dochter er niet bij mogen zitten, dan
is 't geen eerlijk liedje. En zoo vind ik 't ook erg jammer dat
zoo veel makers van liedjes zich blind staren op 'het bedrogen
meisje'.

Makkelijk is 't niet om altijd stof te vinden. Geloof me, drie
avonden achter elkaar met verschillende van je eigen liedjes
te vullen in "Salvatori" te Amsterdam b.v., valt niet mee.
Om nog es even op m'n soldatentijd terug te komen: Ze
smokkelden wel eens niet-soldaten mee. 'n Koetsier of 'n
arme naaister en die was dan wat blij eens 'n oogenblikje
met d'r gedachte uit de distributiemisère te komen. Maar
de dienst was zwaar. Op den tweeden Paaschdag kregen
wij een regeeringstelegram of we ons beschikbaar wilden
stellen. En we hebben toen op dien éenen dag op drie
forten gezongen. Drie soirees op één dag. Zoo'n soiree
eindigde dan met "het Wilhelmus". Dan gauw in 'n auto
en naar 'n ander fort. 

Ik sprak van 'n kracht ten goede, die wij uitoefenen konden.
Ik was maar korporaal, maar ik spaarde de spot niet, ook
niet de spot op de hoogeren. En dat lieten zij zich best
aanleunen ook. Op de Harskamp was er eens groote
ontevredenheid. Ik deed wat ik kon, sprak de menschen toe :
"De officieren zijn toch ook in dienst. Laten we nou niet
kankeren. Als iedereen nou doet wat ie doen moet, dan gaat
't toch wel." En zoo'n gemoedelijk praatje gaat er dan wel in..... HOME

                                                                                            

 

Een geheel ander  type bundeltje  was  "Daar  wordt  gebeld 
bij Clinge Doorenbos" uitgegeven in 1947door de Amster-
damse uitgeverij Scheltens en Giltay.en voorzien van te-
keningen  van   de tekenaar  F. van Bemmel.  
Even  vlot  zoals  we  van  zijn  gedichten gewend waren 
beschreef  hij  de  diverse  personen  welke  tijdens  de 
hongerwinter bij  de familie Clinge Doorenbos aanbelden  
voor hulp, onderdak of eten.  Grandioos  waren  dan  ook 
vaak de bijbehorende gedichtjes. Zelfs in deze tijd, zestig 
jaar na dato, zijn  de  boekjes nog goed te lezen  en  te be-
grijpen. Het  zijn  kleine geschiedenislessen die ons glas-
helder een leven laten meebeleven.                                                    


Hieronder een kort stukje uit deze bundel                                             HOME

DAAR WORDT GEBELD

't Was 's avonds ná achten, dus in de verboden tijd. 
Een Heer.
Meneer, ik moet spijkers loopen.
Wàt, moet u loopen?
Spijkers.
Spijkers?
Ja, spijkers. Ik heb spijkerwacht; weet u niet wat dat 
is?
Nee meneer, ik ben bóven de jaren.
Trèft u; ik moet zorgen,  dat niemand  spijkers  op de 
weg gooit.
Maar hoe kunt u dat zien? 't Is hardstikke donker!
Kàn ik ook niet, da's juist het idiote van die spijkerwacht.
En àls u het ziet, wat dan?
Dan moet ik die spijker oprapen en de auto, die er met 
zijn band in zou hebben kunnen zijn gereden, bijtijds 
waarschuwen.                     
Hoe doet u dat in 't donker?
Probeeren.
Hebt u een rood lichtje of zoo?
Nee
En als die auto u niet ziet, dus dóórrijdt?
Op zij springen, anders kom ik er ónder.
Zóó -- is dát spijkerwacht? Hebt u daar váák last van?
Zoowat ééns in de drie weken.
Zoozóó, dus chronisch. En waarmee kan  ik u van dienst 
zijn? Wilt u misschien een beetje uitrusten?
Nee, pardon, ik wou vragen, of u een glaasje water voor
mij heeft,want we hebben boontjes uit het zout gehad en 
dan wou ik óók graag van de gelegenheid gebruik maken 
om van de gelégenheid gebruik te maken....
Ik dacht: wat is de juiste klemtoon toch een belangrijke 
factor in onze spreektaal; bij gelegenheid moet je géén 
gelegenheid voor een gelegenheid voorbij laten gaan 
als je om een gelegenheid in verlegenheid zit; bij deze 
gelegenheid dacht ik tevens: wat is dat een raar woord, 
dat woord "gelegenheid". Het maakt een dief en iedereen
doet alles graag op zijn eigen gelegenheid. Eigenlijk is 
óveral een gelegenheid voor een gelegenheid en inééns 
bedacht ik met schrik, dat ik een gelegenheidsdichter ben.....

De spijkerwacht zei: zéér verplicht!
Hij ging; en éven láter
Zocht hij met weemoed op 't gezicht
Weer spijkers op laag water.                HOME