| |
|
HOME
VAN VELE MARKTEN THUIS
CLINGE DE CABARETIER
onze
dank aan dhr. D. Everts voor het grote aantal kopieën van
muziekomslagen die wij van hem mochten ontvangen

HET VOGELTJE OP NELLIES HOED
Als de Zondag in het land was,éérlijk waar,
dan lééfde hij pas:
Schone boord, schone manchetten,nieuwe paars- groen- lila das;
Met het meisje aan de wandel, heerlijk wezen, hemels zoet,
Mousselientje, hoge hakjes, leuke vogel op haar
hoed.............
Ik loop ànders nooit met heren, die ik niet goed ken,
Zei Nellie en ze keek zo lief en zoet;
Gistermiddag is z'er nog met een van door geweest,
Zei het kleine vogeltje op Nellie's hoed.
En nou 'k jou eenmaal gevonden heb, nu is het uit,
Jij zult mijn enig vriendje zijn, vin je dat goed?
Nou, jij ként Nellie niet net zoals ik haar ken
Zei het kleine vogeltje op Nellie's hoed.
's Avonds gingen ze dan wand'len, heerlijk in de maneschijn;
Weldra kwam haar vrind haar vragen: wil je mijn verloofde zijn?
Blozen was het énig antwoord, toen een zedig, schuchter, JA,
Toen een poos van doodse stilte, toen een zucht; spreek met
papa.....
Ik wil alléén jouw meisje zijn in alle eeuwigheid
Zei Nellie met een boordevol gemoed;
Dat heeft ze gisteravond ook al aan een ànder zo gezeid,
Zei het kleine vogeltje op Nellies hoed.
En toen Jan haar eens flink zoende, zei ze ; O, wat fijn,
Da's nog nóóit gebeurd, o schat wat smaakt dat zoet;
Nou, jij ként Nellie niet net zoals ik haar ken
Zei het kleine vogeltje op Nellie's hoed.
Heerlijk wand'len door de bossen, toekomstdromen zonder end;
Hij zei: liefste licht mijns levens, weet, dat jij mijn àlles
bent,
Als de grote torenklok dan onverwachts tie uren sloeg,
Dan zei Nel: ik moet huistoe, schattebout nou is 't
genoeg....
Ik wist niet, dat ik zóveel van iemand houwen kón,
Zei Nellie met een boordevol gemoed;
Da' s de zèsde keer nou al, dat ze die leugenpraat verzón
Zei het kleine vogeltje op Nellie's hoed.
Maar nú moet ik vlug naar huis, want ná tien uur nog op
straat
Is voor 'n meisje zoals ik niet net en goed..........
Nou, jij ként Nellie niet net zoals ik haar ken
Zei het kleine vogeltje op Nellie's hoed.
Maar na'n poosje kwam er ruzie, 't héle zaakje liep verkeerd,
Toen gingen ze uit elkander, want er werd niet geharmonieerd;
Scheiden we als goede vrinden, och, het hart dat doet me
pijn,
't Warmste plekje in mijn hart zal steeds voor jou alleen
maar zijn........
Nellie zei: al jouw kadootjes hou ik liever maar,
Als souvenir aan jou, vin je dat goed?
Die staan állemaal op een rijtje in de lommerd bij
elkaar,
Zei het kleine vogeltje op Nellies hoed.
Geef me énkel dan d' engagementsring maar weer t'rug,
Zei de jong'ling bij zijn allerlaatste groet........
Nou, jij ként Nellie niet net zoals ik haar ken
Zei het kleine vogeltje op Nellie's hoed. HOME

OORLOG IN HET HUISGEZIN
Myn tante is pro—duitse, myn oom geallieerd;
Die Wacht am Rhein die fluit ze, terwyl Oom Marseilleert.
By’t ochtendbladen lezen roept tante : Zeppelin,
Oom trilt in heel zyn wezen: een Britse vliegmachien.
En tante leest van Londen : luchtaanval op stad;
‘k Wist wel, zegt oom, dat Duitsland zo’n laffe moed bezat
En ook leest van ‘n torpedo, die trof een Duitse schuit,
Wat een gemene boeven, roept tante nydig uit.
En jullie gooien stinkgas, zegt oom, bah, wát een land;
En tante bidt eerbiedig : Gott straffe Engeland;
Duitsland begôn, zegt oom dan, die zich niet meer beheerst:
Dá’s war, zegt zy, maar Eng’land begin het alleréérst.
En tante drinkt geen WHISKY, Oom haat de MOEZELWYN;
ENGELSE BOKKING ? shocking. SAUERKRAUT? stinkvenyn.
Zij smeet de CROSS & BLACKWELL op straat — ‘t was véél te pro,
Oom deed zyn DUITSE HERDER aan ‘n vriend van hem kado,
Zy nydig toen Oom COLGATE scheerzeep gebruiken dorst,
Oom stak op straat zyn tong uit naar ‘n DUITSE LEVERWORST.
Tante wil nooit meer SUNLGHT, Oom vindt DUITS BIER te duur,
Tante heeft ENGELSE ziekte, Oom last van Pruissisch zuur.
Myn tante is pro-duitse, myn Oom geallieerd;
Die Wacht am Rheim die fluit ze, terwyl Oom Marseilleert.
Breeroo zegt : ‘t kan verkeren; is d’oorlog dan voorby,
Eet hij weer Duise biefstuk,zij krygt er een babyboy by.
HOME
1942

AAN DE LUS VAN LIJN TWEE
Moeder en dochter die kwamen geloopen,
Vlug naar
de wagen, het was op lijn Twee
“Zeg
conducteur nog twee plaatsen?” klonk 't vleiend,
Maar 't
conducteurtje dat knikte van “Nee”
'n Aardig
jongmensch vol égards en van standing,
Gaf toen
zijn plaats aan de oudste der twee,
Pakte een
lus en weet U wat hij héél zachtjes
tot 't
aardige dochtertje zee?
Refrein:
Meisje
met je mooie mondje,
Moet je
met je Maatje mee?
Lieve
Lientje laat je leiden
Langs het
lusje van lijn Twee HOME

WAAROM IS DE AARDE ROND PA?
(ook: Vragen staat vrij)
Waarom is
de aarde rond, Pa?
Waarom is
hij niet vierkant?
Waarom
gaat de zee niet verder,
dan
precies tot aan het strand?
Pa, hoe
komt het dat een visje
ònder
water tòch niet stikt?
En hoe
komt het, dat de gangklok,
als hij
stuk is, niet meer tikt?
Waarom
schijnt de zon nooit 's nachts eens?
Waarom
trouwde U met ma?
En hoe
komt nou toch oom Hendrik
aan zo'n
glad, kaal hoofd, zeg Pa?
Toen de
ooievaar mij bracht, Pa,
waren ma
en U toen thuis?
Waarom
bracht hij mij juist hier, Pa,
en hoe
kwam hij 's nachts in huis?
Groeit er
aan een appelboom nou
nóóit per
ongeluk een peer?
Waarom
heet mammie mevrouw
en waarom
bent U een meneer?
Als U in
een vliegmachine
eens héél
hoog de lucht in ging
en de
aarde zou vergáán, Pa,
hoe kwam
U dan uit dat ding?
Pa,
waarom ben ik geen zusje?
Hebt U
óók wel eens gehuild?
Als ik U
niet was bevallen,
had U mij
dan weer geruild?
Zijn de
arme jongens 's winters
zonder
winterjas niet koud?
Krijgen
die van Sinterklaas niks?
Zijn die
jongens dan zó stout?
Waarom
draagt men zwàrte kleren
als men
in de droefheid zit?
Zijn ze
's nachts dan niet bedroefd, Pa?
Hun
hansoppen zijn toch wit?
Waarom smeert
ma, als ze uitgaat,
rose meel
op haar gezicht?
als een
kip een ei gaat leggen,
hoe
krijgt hij dan het kapje dicht?
Pa,
waarom komt er soms oorlog?
Schieten
ze dan met ècht kruit?
Waarom
vecht de éne koning
het niet
met de ànd're uit?
Wordt ik later
óók soldaat , Pa?
Of denkt
U, dat het niet hoeft?
En als ze
mij dan eens ráken,
zijn
jullie dan èrg bedroefd?
Als de
ooievaar een kind brengt,
wààr
haalt hij dat dan vandáán?
Waarom
zie je nóóit een springkip
en alléén
maar een sprinkhaan?
Pa,
waarom mag ik nooit zeggen:
wat een
lange neus, oom Piet?
Waarom
mag hij dat niet weten?
Wéét Oom
Piet dat zèlf dan niet?
Pappie,
wat zijn isotopen?
En wat is
de stratosfeer?
Toen U
gister op Uw duim sloeg,
Paps, wat
zei U toen ook weer?
Pa, hoe
komt er èlke morgen
nieuwe
melkweer in zo'n koe?
En wáár
groeien de sigaren?
En wáár
gaat de rook naar toe?
Had ik al
direct een broek aan
en een
buisje en een jas?
Toen de
ooievaar mij bracht,
Pa, hoe
wist U dat ik het was?
Pa, U
zei, dat toen U klein was,
U nóóit
stoute dingen dee:
Dat U in
Uw jeugd nóóit jokte-
wànneer
begòn U daar dan mee? HOME
VADER IN DE BIJENKORF
Met een klein staaltje crêpe de Chine georgette van pauwblauw,
Werd Pa de Bijenkorf ingestuurd, natuurlijk door zyn vrouw
Hy klemde ’t staaltje in zyn hand en schreef op zyn manchet
(’t Is voor een man een moeilyk woord): blauw crêpe de Chine georgette
Hy
stapte in het kooppaleis en vroeg beleefd: Juffrouw
Hebt U ook crêpe de Chine georgette, zoals dit staaltje blauw?
‘k Heb wél Odol en nagellak en tubes pate Hermine
En de parfums van Houbigan, ginds vindt U crêpe de Chine.
Juffrouw hebt U ook crêpe de Chine ? Meneer! Dit’s lingerie!
Toen stapte hy manmoedig naar verkoopster nummer drie.
Juffrouw, myn vrouw, ik wou, hebt U……och ’t staat op myn manchet:
O nee, : ’t is aan de linkerkant: blauw crêpe de Chine georgette
Precies diezelfde kleur meneer? Dat vindt U niet zo gauw,
Dat zal niet zo gemak’lijk gaan: ’t is eigenaardig blauw.
En crêpe de Chine héb ik hier niet, maar kunt U het hier mee doen?
Dit’s Voile Ninon en ’t is precies hetzelfde blauw, in ’t groen.
Toen kwam hy by het aardewerk en brak een groenteschaal
Toen kwam hy tussen ’t speelgoed in, toen in de lunchroomzaal.
Toen kwam hy in een doolhof van tapyten en carpet
En vroeg in zyn vertwyfeling om Chêpe de Crine Corset.
Toen kwam hy by het suikergoed en toen by de muziek:
Een meisje speelde op ’t klavier voor ’t luisterend publiek.
Ze speelde Parlez-moi-d’amour, tóch ben ik dol op jou…..
Toen dacht hy dat zy naar hem keek, hy kleurde, ging maar gauw.
Zyn
staaltje was hy allang kwyt, zyn kracht was op zyn end,
Een juffrouw bracht hem eind’lyk naar het goed departement.
De hoop kwam t’rug weer in zyn hart, hy dacht:: wie zoekt die vindt,
Hy voelde zich een hele Piet, ’t is waar, d’aanhouder wint.
Wat
is er van Uw dienst Meneer? Toen keek hy op zyn mouw,
Maar ’t potloodschrift was uitgeveegd: hoe héét die rommel nou?
Hy keek bedeesd op zyn manchet: ik zoek, ik moet, ik wou…..
Dan moet U hier niet zyn Meneer, links achter in ’t gebouw
HOME
KINDJES KEUS
(woorden en muziek: Clinge Doorenbos)
1.
Ooievaar kwam
met een kindje gevlogen
Schattig lief
meisje met licht blauwe oogen
Hij vloog
steeds verder, was vroolijk te moe….
„Zeg Ooievaar,
waar breng je me toch naar toe?
Naar wat voor
soort van Ma?
„Meisje, het
maatje dat ik voor jou koos
Wordt binnen
kort President van haar Soos
Schildert
kubiekjes en lacht om muziek
Kort geknipt
haar, hobbezak, politiek….
Wat denk je van
zoo’n ma?
Toen dacht er
het kindje even na
Ooievaar,
Ooievaar, riep het lieve kind weldra
Ooievaar,
Ooievaar, breng me bij een and’re Ma
2.
Goed, ik vol
doe aan je vriend’lijk verzoekje
‘k Heb nog
zoo’n boel nieuwe Ma’s in mijn boekje
Kies jij dan
zèlf maar een ander adres
Van avond
bestelde men er nog wel zes
Wat wil jij dan
voor n Ma?
Dit is een
dame, heel rijk en heel chic
Schrijft dure
boeken en levert kritiek
Breien? Geen
steek; dus ze is up to date
Lid van de
kamer, dus, kindje, je weet…..
Wat denk je van
zoo’n Ma?
Toen dacht er
het kindje even na
Ooieaar,
Ooievaar, riep het lieve kind weldra
Ooievaar,
Ooievaar, breng me bij een and’re Ma
3.
Hier heb ik nog
weer een andere dame
Die wil zich
voor Filantrope bekwame(n)
Zielige kinders,
drankzuchtige liên
En
dierenbescherming er bij nog misschien
Wat denk je van
zoo’n Ma?
Peet van
soldaten en Moeder van ’n Wees
Secretaresse
van elf comité’s
Rust niet,
vóórdat ze d’er hond heeft gevlooid
Manlief? Die
ziet ze zoo ongeveer nooit…..
Wat denk je van
zoo’n Ma?
Toen dacht er
het kindje even na
Ooievaar,
Ooievaar, riep het lieve kind weldra
Ooievaar,
Ooievaar, breng me bij een and’re Ma
4.
Goed, zei de
Ooievaar, ’t kan me niet schelen
Eindelijk vin
j’er wel een uit de velen
Deze rust
altijd van half twee tot drie
Is daarna de
ster van de Tango High Tea
Wat denk je van
zoo’n Ma?
Hier, nòg een
soort, die ‘k je niet raden kan
Overgang
tusschen een vrouw en een man
‘k Had er zoo
gauw nog niet eens op gelet
’t Is zoo’n
vandalige kracht – suffraget…..
Wat denk je van
zoo’n Ma?
Toen schreide
het lieve kind weldra
Ooievaar,
Ooievaar, als ik nog niet ben betaald……
Breng me dan –
breng me dan – t’rug
waar je me hebt gehaald. HOME
TERUG VAN DE KOOKSCHOOL
Ze sprong uit de trein met
een vrolyke sprong
En jubelde Maatje toen tegen :
Hoera, ‘k ben er dóór, o wat héérlyk ik heb
Myn Kookschool-diploma gekregen!
Ze kwam in de keuken en keek in de kast,
Bekeek alle pannen en schalen,
Keek daarna naar Mina, de Keuken-prinses
Met minachtend schouder-ophalen :
Hoe kun je nou eisen, dat zó een het wéét,
Die ‘t nooit uit de boeken geleerd heeft,
Alleen maar zo’n beetje by Ma heeft geprutst,
Maar nóóit theorie bestudeerd heeft
Maar Mina werd ziek en toen zei papa :
Een griepje heeft Mina te pakken,
Zeg, kindje, Laat jij nou je kookkunst eens zien,
Ga jij nou de biefstuk eens bakken.
Toen zei ze : o, biefstuk op bladzijde 10,
Het nuttig effekt : drie en tachtig;
De cofficient van het voedings-kwadraat.
En toen zei papa : állemáchtig !
Toen heeft ze haar handjes gedésinfecteerd,
Toen maakte z’een héleboel rommel,
En bij het naar bed gaan zei pa tegen ma :
Zeg, is er nog brood in de trommel ? HOME

ZYN VADERLANDSE VLAG
d’Adelborst gaat voor ‘t éérst naar zee
En zyn moeder kykt hem na;
‘t Schip neemt het dierbaarst van haar mee,
Eenzaam blyft ze op de ka.
Dáár gaat haar jongen, met blye lach
Bekykend vol eerbied zyn vaderlandse vlag.
Dán komt d’oorlog, bloedig en wreed
Zaait ramp en dood wyd en zyd;
Dubbel groot wordt nu moeders leed
Haar zoon neemt deel aan de stryd.
En vol vertrouwen, met blye lach
Richt hy zyn oog op zyn vaderlandse vlag.
Statig stoomt daar zyn zeekasteel,
‘t Houdt er zyn koers ongestoord —
Dan klinkt een kreet en het groots geheel
Is door een torpedo doorboord.
d’Jongen rént henen, met rauwe lach,
T’rug in triomf met zyn vaerlandse vlag.
Na ‘n paar minuten is ‘t gedaan
‘t Schip helt al naar één kant;
n Laatste blik, een zucht, een traan
In de richting van ‘t vaderland.
Dan — zakt hy langzaam met droeve lach
Vást in zyn armen zyn vaderlandse vlag. HOME__
1943
SISSIE
Sissie was een aardig meisje, in de buurt van achttien jaar
Up to date in doen en laten, al wat man was keek naar haar
Sissie had heel veel bekoorlijks, Sissie had maar een gebrek
Als ze sprak, hoorde je daad'lijk: Sissie zei de S zo gek...
Als Sissie ging praten
Dan kon ze 't niet laten
Ofschoon ze het zelf heel goed wist
Ondanks heel veel lessen
Ze SliSte haar eS-Sen
Die Sissie die SliSte beSliSt
Sitze was een knappe jongen met een scheiding in zijn haar
Up to date in doen en laten, in de buurt van twintig jaar
Sitze was student geworden, kersvers van de HBS
Sitze had maar een gebrekje: Sitze zei zo'n rare S...
Als Sitze ging praten
Dan kon hij 't niet laten
Ofschoon hij het zelf heel goed wist
Ondanks heel veel lessen
Hij SliSte Zijn eS-Sen
Die SitZe die SliSte beSliSt
Sitze zag op zeek're middag Sissie op de tennisbaan:
Sitze knoopte daar met Sissie gauw een amouretje aan
Sitze zei: Mijn naam is SitZe. Zeg mij hoe uw voornaam iS?
Sissie dacht: Die lamme eS-Sen en ze ze zei: Mijn naam iS SiS
SitZe dacht Sissie
Een schattebout iS-Sie
Maar jammer, dat SitZe Zoo SliSt:
Die SiSSie dacht SitZe
Wat 'n Schatje! Daar Zit Ze
Maar SliSSen doet SiSSie beSliSt
't Maantje scheen zo extra helder, toen kwam zijn bekentenis:
SiS, 'k kan Zonder jou niet leven, word mijn vrouw hoewel ik SliS
Sissie zei: Mijn lieve SitZe, 't weet niet of je het al wiSt
Ik Spreek ook SomS wel wat SliSSig, 'k heb al levenSlang geSliSt
En Sitze Zei: SiSSie
Toe, geef me permiSSie
Toe, Zeg me maar, dat het zo iS!
In 't licht van het maantje
Blonk even een traantje
Toen kwam de beslissende SliS HOME
BLOEMEN
‘t Kindje dat lag daar zo blozend en b1y
Vader en moeder di. stonden er by;
Bloemen op tafel, ze geurden zo zoet:
’n Welkom op aarde, een lief’lyke groet.
BLOEMEN.
Zestien jaar later, in ‘t zélfde gezin :
Zy, voor de spiegel bekéék zich er in;
‘n Doos werd voorziohtig op tafel gezet:
"Snoezig, van hém, kyk, haar éérste boeket." BLOEMEN.
Zy was de bruid en ze stond kant en klaar
Op haar klein kamertje, bloemen in ‘t haar;
Hy kwam haar halen, ze stralend en bly,
Bruidskleed en sluier van sneeuwwitte zy... BLOEMEN
Eéns, toen ze las in aan boek uit haar jeugd,
Zag ze weer vóór zich die jong vrye vreugd;
Toen viel. een bloem, dor, verdroogd uit dat boek, .
zy bracht die middag met mymeren zoek... BLOEMEN
Oma was jarig, zy werd tachtig jaar,
Róndom haar danste een kleinkind’ren..schaar;
‘t Jóngste, van vier, had een vers opgezegd
En een boeket op haar schoot neergelegd, BLOEMEN.
Niet heel veel láter, op ‘n zonnige dag,
Was het, of Oma te sluimeren lag;
Wéér werd ze toen in de bloemen gezet,
Eén daarvan zit nu nóg by haar portret....
BLOEMEN. HOME
ECONOMIE.
Wat leven wy in een voorspoedige tyd
Van welvaart en weelde en zorgeloosheid :
Een koel- en een yskast, stofzuigapparaat,
Een auto, een afwasmachien voor de vaat,
Geluidsband-recorder met wéérgaaf-techniek,
En film-installatie, vól automatiek,
Een radio, grammofoon, kleuren-T, V,
Omschakelbaar, dikwyls zelfs naar de W.C. ,
Een 5 daagse werkweek, de werkdag verkort,
In hoofdzaak benut voor wedstryden en sport,
Een maandje naar Spanje of zo nu en dan,
Zodat je je afvraagt waar léven we van?
Waar of wy van leven, begrypt U dat niet ?
Het antwoord ligt op economisch gebied;
Ik noem U een vóórbeeld ; myn winterse jas,
Wat was dat vóórdat dat een winterjas was?
‘t Was vol van een schaap in Australië of zo,
Een schaap van de farm van boer Schaapman & Co;
Gaat dus om één winterjas maar, van één man,
De volgende lieden die léven er van
De farmer, zyn vrouw en zyn héle gezin,
Plus ook nog zyn schoonma, die woont by hen in;
De knechts en de man, die het schapendom scheert,
De man, die ‘t gewicht van de wol controleert,
Eén man, die de wol wast, één die z’emballeert,
Eén die ze naar ‘t spoor rydt, één die z’expedieert,
Nu staat dus dié wol, op ‘t station; goed, en dán,
Dán leven de vólgende lieden er van :
De Chef van ‘t station en de telegrafist,
Rangeerder en stoker en trein-machinist,
De klerk, lampenist, seinhuisman, ingenieur,
Pres’dent Commissaris en hoofd-conducteur;
De baanwachters, schoonmakers van het gebouw,
De treinsmid, de W.C.-toiletten-juftrouw;
Het gaat naar de lakenfabriek toe, en dán,
Dan leven de volgende lui er wéér van :
De arbeiders, arbeidsters, duizend of méér,
De Aandelenhouders, de Raad van Beheer,
De Ârbeids-inspectie, ‘t kantoor-personeel,
De fiscus krygt óók van jasje zyn deel;
De drie Directeuren, met héél hun gezin,
Meneer zyn chauffeur en, wie weet zyn vriendin;
Het laken komt nu by myn kleermaker an,
Daar leven de vólgende lui er weer van ;
De kleermaker zélf, hy is veertig jaar oud,
Zyn zeventien kinders (hy is vier keer getrouwd),
Zyn naald- en zyn draad-lev’rancier, zyn tailleur,
Zyn kat en zyn kippen, zyn knecht, zyn coupeur,
Zó leeft dus een héél ónafzienbare ry
Alléén van dat énkele jasje van my :
En ‘t gékste van alles. komt nog achteran:
Hy is niet betááld ! Dus wáár léven ze van? HOME
DOE JE BLAUWTJE NOG EENS AAN.
Toen hij klaar met zyn bezoek was by papa en by mama,
Toen ‘t verdrag was ondertekend na haar zacht en schuchter "JA",
Moesten ze visites maken, want dat eiste het fatsoen
En zy vroeg hem zyn adviesje. wát ze daar by áán zou doen
REPREIN :
DOE DAT BLAUWTJE NOG EENS AAN, DAT JE TOEN HEBT AANGEDAAN
TOEN IK JOU VOOR ‘T EERST ZAG STAAN ACHTER BY JE TENNISBAAN,
TOEN WY SAMEN ZYN GEGAAN DOOR DIE LANGE, STILLE LAAN
IN HET ZICHT DER DONK’RE MAAN. DOE DAT BLAUWTJE NOG EENS AAN.
Toen ‘t stadhuis achter de rug was, men de preek genoten had,
Toen men aan de grote bruidsdis op ‘t vertrek te wachten zat,
Toen de huw’lyksreis tenslotte eindelyk beginnen zou
En zy zich in reis-toilet stak, zei hy tot zyn jonge vrouw;
REPREIN.
Toen hy voor dat kleine jongske zo veel angst had uitgestaan,
Toen zy voor de eerste keer weer naar beneden toe mocht gaan,
Toen ‘t kleine rose pakje zachtjes in zyn armen droeg,
Las zy duid’lyk in zyn ogen, dat hy iets bizonders vroeg :
REPREIN.
Toen ‘t geluk hen was beschoren van een gouden bruiloftsdag
Hoorden ze ‘s morgens héé1 vroeg al feestgezang kinderlach
Toen de gouden bruid zich kleedd•, deftig in het zwart satyn
Plaagde hy: als je mijn zin dee, zou jouw feestkleed ánders zyn:
REFREIN.
Voor haar vlammend houtblokvuurtje zat ze in haar énigheid,
Starend is die kleine vlammen, levend in verleden tyd;
En haar moede ogen dwaalden naar een stoel — een lége plaats -
Vyftig héérlyk mooie jaren goeie, trouwe kameraads.
REFREIN
DOE DAT BLAUWTJE NOG EENS AAN, DAT JE TOEN HEBT AANGEDAAN
TOEN IK JOU VOOR ‘T EERST ZAG STAAN ACHTER BY JE TENNISBAAJI,
TOEN WY SAMEN ZYN GEGAAN DOOR DIE LANGE, STILLE LAAN
IN HET ZICHT DER DONK’RE MAAN. DOE DAT BLAUWTJE NOG EENS
AAN.
HOME__
IK HAD JE NOG ZOVEEL TE ZEGGEN
Eén op het perron voor de ramen,
Eén in de coupe., vóór ‘t vertrek;
Zo staan ze in stilzwygen samen
Of in een niets-zeggend gesprek.
En ginds ligt de mailboot te deinen,
De scheidenden spreken geen wóórd,
Pas als z’uit ‘t gezicht gaan verdwynen
Wordt zachtjes, héél zachtjes gehoord :
Refrein:
IK HAD JE NOG ZÓVEEL TE ZEGGEN:
IK HEB ER TE LAAT AAN GEDACHT:
IK HAD JE NOG ZÓ VEEL TE ZEGGEN,
MAAR HEB ER TE LANG MEE GEWACHT•
IK HAD JE NOG ZO VEEL TE ZEGGEN,
MAAR ‘K BEN MET MYN WOORDEN TE LAAT,
NU BEN IK ALLEEN , PRAAT ZACHT VOOR MY HEEN
OMDAT JE MY NIET MEER VERSTAAT.
Wy, mensen zo vrouwen als mannen,
Wy willen het goede zo graag;
Wy hebben zo veel goede plannen
Voor mórgen, maar zélden vandaag;
Wy zeggen: ik zal er voor zorgen
Als ‘t gaat om het doen van een daad,
‘t Verzoenende woord spreek ik mórgen,
Maar — "mórgen" is dikwyls te laat....
HOME
REFREIN
‘t Genot en de vreugd van het Leven
Waarderen wy nimmer genoeg;
Hoeveel of ons ook wordt gegeven,
Het EINDE komt altyd te vroeg;
In welk huis hangt aan de muren
‘n Portretje, vergeeld en verbleekt,
Waarnaar we zo graag zitten turen
Omdat het, héél zacht, tot ons spreekt t
REFREIN HOME
|