|
B  |

Clinge Doorenbos was niet alleen bekend door
zijn optredens,
zijn gedichtenbundels, kinderboekjes en liedjes, maar
het bekendst werd hij wel door zijn gedichten in De Telegraaf.
Wij prijzen ons gelukkig dat we in het bezit
kwamen van een enorme hoeveelheid van de gedurende zijn loopbaan als journalist voor dit dagblad geschreven gedichten
Ook kroonprins Wilhelm van
Duitsland, die zelf perfect
Nederlands sprak, sprak in bovenstaande brief zijn
bewondering uit voor Clinge en zijn kunstzinnige
echtgenoote
Dankzij de de heer en mevrouw Post uit
Vriezenveen kwamen
wij in het bezit van een groot aantal van deze gedichten.
De gedichten gemaakt in de periode
tussen 1914 en 1945
zijn te verdelen in een viertal groepen.
a. die over het soldaten- en burgerleven 1914-1918
b. die over aktualiteiten tussen de beide oorlogen
c. die over gewone voorvallen
d. die over het soldaten- en burgerleven 1938-1945
zie voor de gedichten http://www.clingedoorenbos.com
Talrijk
waren zijn gedichten over bonkaarten en voedsel-
schaarste. Over de diensten die de soldaten bewezen
aan
het vaderland, over de hand- en spandiensten die bevolking
in die oorlogstijden moesten leveren.
Als journalist waren het zijn berijmde verslagen van gesprek-
ken |met de vele in die tijd beroemde personen. Zij gaven een
gedetailleerd overzicht van het leven en werken van die gein-
terviewde personen. Dat Clinge nooit om woorden verlegen
zat bewijzen juist die verslagen, die vaak een kwart kranten-
pagina groot waren. Onder die beroemdheden bevonden zich
de clown Emile Buziau, de theaterdirecteur Henri ter Hall, de
toneelspeelsters Fie Carelse en Ank van der Moer, de caba-
retier Jean Louis Pisuise, de schrijfster Amy Groskamp
ten
Have, de wereldkampioen schaken Dr. Max Euwe , de Filmo-
perateur Willy Mullens, de chiroloog Dr. Louis Raemaekers,
de filmster Lily Bouwmeester, de
keukenboekenschrijfster
Mevr. R. Lotgering-Hillebrand, de schipper van de N.Z.H.R.M-
reddingsboot Koen
Bot en nog vele anderen.
ZIE HIERONDER EEN GEDEELTE VAN ZO'N INTERVIEW
Een man
en een boot
En een wilde zee
KOEN BOT
In de knusse keuken zaten
Drie personen bij elkaar:
Koen de koene, Kees de Kieker
En de ondertekenaar.
Laat ons bij ’t begin beginnen
Van ons kort en wáár verslag
Van dien kouden, hel’dren, helden
Helderschen Decemberdag
Binnenhaven nummer veertien:
De Heer Bot-of, kortwerg, Koen
Komt ons hartelijk en gtlunder
En persoonlijk opendoen.
’k Hoop dat U hier allen rommel
Maar niet al te duid’lijk ziet,
Ik ontvang U in de keuken
En de Vrouw, die is er niet.
Maar de kachel staat rood gloeiend
En ik heb de koffie klaar,
En ‘k heb fijne speculaas hier,
En hier hebt U een sigaar.
Net als een volleerde huisvrouw
Schenkt de vader van ’t gezin
Zónder morsen en mét suiker
Een fijn kopje koffie in.
Vóórdat ik hém iets kon vragen
Vroeg hij mij: zeg eens, meneer
Wáárom komt U mij bezoeken,
Wááraan danken wij die eer?
‘k Zei: meneer,dát is héél logisch
Nogal glad, dat ik dat doe:
Met bekénde Nederlanders
Heb ik graag een interview.
Met bekénde Nederlanders,
’k Heb er al een hééle rij,
Daar mag U niet bij ontbreken,
Want daar hoort U zéker bij.
Met zijn goede, trouwe oogen
Keek hij mij héél rustig aan,
En toen kwam ’t eenvoudig antwoord:
’k Heb niets dan mijn plicht gedaan.
Heel rustig en
kalm zit mijn slachtoffer vóór mij,
’t Gezicht, zwaargebruind door de zon en de zee,
Is vriend’lijk en jeudig en goedig en guitig,
Hoe oud zou hij wezen? Ik heb géén idee.
ik ben acht en vijftig, zoo klinkt er zijn antwoord;
(Ik kijk wat verwonderd); verwóndert U dat?
(Ik jok: heelemáál niet ! Maar ´k denk bij mijn eigen±
Ik had hem dik in de veertig geschat).
Dat forsche postuur en die kaarsrechte houding,
Die kwieke beweging, die vlugheid, die kracht………
Maar ‘k wou het niet zeggen, dus jokte genoeglijk:
Zóó, zóó, ácht en vijftig, dat had ‘k wel gedacht.
Heer Bot, ‘k zou U graag wel eens dit willen vragen;
Als er nu zoo’n schip is, dat noodseinen geeft,
Hoe voelt U zich dan? En wàt zijn de emoties
Die U, als U uitvaart, van binnen beleeft?
Meneer, ‘k vind het hėėrlijk , ‘k denk niet aan gevaren.
Zóó als we op weg gaan, krijg ik het gevoel:
Ik leef niet voor niets, ik kan hèlpen, ben nuttig
Ik tel óók nog mee, ‘k heb een roeping een doel.
Het is nogal glad: als ik veilig weer thuis ben,
Dan voel ik me dankbaar, gelukkig en blij;
Maar zie, als mijn laarzen en plunje weer droog zijn,
Verlàng ik alweer naar een vólgend karwei.
Dit jaar boften wij hier wel heel erg bijzonder;
Dit jaar hadden wij hier ècht èxtra geluk:
Dit jaar was er héél veel werk aan de winkel,
Speciaal òns rayon had het dikwijls héél druk.
(Verbééld je, dacht ik, dat de baas van de Brandweer
In de een of andere plaats van ons land
Oók zei: het gaat pràchtig! Er is véél te blusschen,
’k Verlang nu alweer naar de vólgende brand!)
( plm. 25% van
de totale tekst van dit interview0
Zo
was de stijl waarin HIJ zijn interviews verwerkte. Interviews
die vaak een afmeting hadden van een halve krantenpagina.Op deze hem zo eigen wijze heeft hij de
mens achter vele Nederlandse
grootheden uit alle kringen
van de maatschappij in beeld gebracht.
Opmerkelijk waren de gedichten waarin hij
kleine problemen
van zijn eigen tijd beschreef of waarin hij een toekomstbeeld
schetste. Je zou soms zeggen dat hij zo'n gedicht in deze
tijd had geschreven, nog volkomen aktueel.
|